Eén van de moeilijkheden binnen het maken van een kortfilm, is de schaal van het verhaal bepalen. Alfred Hitchcock zei ooit dat langspeelfilms nauwer verwant zijn aan kortverhalen, dan aan romans. Waar moeten we kortfilms dan plaatsen? Moeten ze zich beperken tot één scène? Hoeveel “verhaal” kan er eigenlijk in zo’n kortfilm?

Behoorlijk veel, zo blijkt uit het komische, 11 minuten durende Orange Drive. Op een simpele, creatieve manier laat regisseur Mark Lester een volledig jaar voorbij gaan, terwijl we als kijker nooit de kluts kwijtraken. Dat bereikt hij door de camera te monteren op de motorkap van een auto en van die wagen zijn decor te maken. De film volgt een periode in het leven van een jonge kerel en zijn vervoersmiddel.

Hierdoor geeft de maker zichzelf genoeg ruimte om verschillende verhaallijnen aan bod te brengen. De camerapositie mag dan wel (bijna) steeds dezelfde zijn, wat de plot betreft gebeurt hier eigenlijk best veel in 11 minuten: de kerel zonder naam wordt verliefd, maakt het daarna uit, heeft ruzie met zijn beste vriend, neemt een eerste job aan, begint een affaire, enzovoort.

De redenen waardoor we dit alles zo makkelijk kunnen volgen zijn het slimme montagewerk en dat ene camerastandpunt. Uiteraard ook met dank aan de knappe regie en het grappige acteerwerk die van deze kleine komedie iets uniek maken.