mirror-cover

4,5-ster

Regie: Bruce Robinson | Met: Richard E. Grant, Paul McGann, Richard Griffiths | Genre: Zwarte Komedie | Land: VK | Duur: 107 min

“I feel like a pig shat in my head” – Withnail, WITHNAIL & I

Londen, 1969. De swinging sixties beleven hun laatste dagen en weten nog maar amper een laatste doodsreutel uit te brengen. In haar kielzog bevinden zich twee aan lager wal geraakte acteurs die hun eigen persoonlijke crisis beleven. Veroordeeld tot een miserabel bestaan in een schamele flat, terend op stempelgeld en zich overeind houdend met behulp van uppers, downers en een substantiële hoeveelheid alcohol, slepen ze zich voort van dag tot dag. Hypochonder en misantroop van dienst, Withnail, (Richard E. Grant) heeft zijn breekpunt bereikt en spreekt zijn lotgezel, de zachtmoedige stumperd Marwood (Paul McGann), plechtig toe als volgt:

“This is ridiculous. Look at me, I’m 30 in a month and I’ve got a sole flapping off my shoe.”

“It’ll get better, it has to.”

“Easy for you to say, luvvie, you’ve had an audition. Why can’t I have an audition? It’s ridiculous. I’ve been to drama school. I’m good-looking. I tell you, I’ve a fuck sight more talent than half the rubbish that gets on television. Why can’t I get on television?”

“Well, I don’t know. It’ll happen.”

Will it? That’s what you say. The only program I’m likely to get on is the fucking news. I tell you, I can’t take much more of this. I’m gonna crack.”

“I’m in the same boat.”

“Yeah, yeah. I feel as sick as a pike.”

Marwood poogt de radeloze Withnail op te beuren, en suggereert zijdelings dat er even tussenuit knijpen misschien de oplossing is. Bij gebrek aan betere opties besluiten de arme zielenpoten hun huidig habitat te verlaten en een trip te maken naar het platteland. Maar zonder geld zijn de mogelijkheden relatief beperkt. De geniale – en immens manipulatieve – Withnail heeft echter een idee. Zijn rijke en extreem naïeve oom Monty (Richard Griffiths), heeft een kleine cottage en zou het zeker niet erg vinden mochten de twee er tijdelijk hun intrek nemen. Na een kort bezoek gaat de oom snel akkoord, waarop de twee tijdelijk afscheid nemen van hun stinkende metropool.

Bij aankomst blijken hun verwachtingen echter behoorlijk tegen te vallen. Geen idyllisch stukje paradijs komt hen tegemoet, maar een tochtig, bouwvallig, aan basisbenodigdheden ontbrekend krot, gelegen in een regenachtig niemandsland. Zonder eten, zonder geld, en zonder alcohol om de honger te doen vergeten, kijken de twee aan tegen een redelijk belabberde vakantie. Als bijkomende “bonus” krijgt het tweetal onaangekondigd de vervelende Monty over de vloer. Op zich toch nog handig, aangezien ze op die manier van diens lijvige bankrekening kunnen profiteren om te overleven. Wat ze niet weten, is dat Monty niet per se is gekomen om hen te redden, maar omdat hij een oogje heeft laten vallen op Marwood, en hen met een bezoek vereerde in de hoop hem voor zich te winnen. Het kost Marwood, die helemaal niet gediend is van diens avances, alle moeite om Monty van zich af te slaan. Hilarity ensues.

Hoewel Withnail & I sinds haar 30-jarig bestaan de verdiende status van cultfilm geniet, is het ook meer dan dat. De film zou zelfs gerust als één van de beste Britse komische werken omschreven kunnen worden. Tout court, dus niet alleen in de filmwereld. Zo heeft de plot veel weg van een droog geserveerd Jeeves & Wooster verhaal van legendarisch schrijver P.G. Wodehouse, maar dan geüpdatet voor een modern(er) publiek.

Perfect is de film evenwel niet. De plot is verdacht simpel, en zelfs niet zo bijster origineel. Voorbeelden van verhalen waarin een groep individuen andere oorden opzoeken, gevolgd door komische situaties van het fish out of water – type, zijn namelijk schier eindeloos. Het gebrek aan een complex, gelaagd verhaal wordt gelukkig ruimschoots goedgemaakt door de aanwezigheid van de heerlijk excentrieke personages die de wereld bevolken. Een Britse specialiteit. Vooral Withnail is een instant character, die je met gemak naast illustere figuren als Basil Fawlty, Mr. Bean, Lord Flashheart en David Brent kan zetten.  Zowel een pathetisch figuur, een cynische ploert, als een getormenteerd profeet, weet hij moeiteloos de aandacht vast te houden en fungeert op die manier als het emotionele centrum, het hart van de film. Een rollercoaster van een personage.

Gevaarlijk balancerend tussen gênante komedie en hartverscheurende tragedie, weet Withnail & I een delicaat evenwicht te houden. Het is een echte oddball op dat vlak, een humoristisch meesterwerk waar vele filmmakers in het genre alleen maar van kunnen dromen. Regisseur Bruce Robertson probeert je niet te overweldigen met opvallende, barokke, of boertige humor, maar met diepgaande karakteranalyse, die op amusante wijze de duistere, vuile zijde van het leven belichten. A thinking man’s comedy, met andere woorden.

Als afsluiter van de film serveert Withnail nog een laatste meelijwekkende, haatdragende oerschreeuw aan het adres van een wereld die hem niets dan teleurstelling heeft bezorgd. Hij is de eeuwige renegade, steeds in argument met zichzelf en alles rondom zich.  Een man die zich niet kan, en haast weigert zich te verzoenen met zijn omgeving; een stem van een verloren generatie. Met een soliloquy uit Shakespeare’s Hamlet , neemt hij op passende wijze afscheid en accepteert zijn rol als gedoemd figuur:

“I have of late, but wherefore I know not, lost all my mirth. And indeed it goes so heavily with my disposition that this goodly frame, the earth, seems to me a sterile promontory. This most excellent canopy, the air, look you, this brave o’erhanging firmament, this majestical roof fretted with golden fire, why, it appeareth nothing to me but a foul and pestilent congregation of vapours. What a piece of work is a man! How noble in reason! How infinite in faculties! How like an angel in apprehension. How like a god! The beauty of the world! The paragon of animals! And yet, to me, what is this quintessence of dust? Man delights not me, no, nor women neither. Nor women neither.”